Stemmen

19 maart 2014. Ik leef iets meer dan een half jaar als mezelf. Vandaag zijn de gemeenteraadsverkiezingen en voor het eerst in mijn leven ben ik lid van het stembureau. Uiteraard heb ik mijn stempas en mijn paspoort bij me.

De ochtenddienst begint voor mij om half 7. De voorzitter van het stembureau is er al en ze is druk bezig alle materialen uit te pakken en op de juiste plaats te zetten. De derde aanwezige is het andere lid van het stembureau, een man van ergens in de 50. Samen verplaatsen we de drie stemhokjes zodat ze op een plek staan dat we er goed zicht op hebben.

Als de ochtenddrukte een beetje voorbij is raken we met elkaar in gesprek.

“Heb jij kinderen?” vraagt ze.

“Ja,” zeg ik, “een tweeling van 9, en een dochter van net 21.”

“Leuk, een tweeling! Nee, ik heb er twee, maar geen tweeling hoor. En ze zijn nog een stuk kleiner, 2 en 4. De oudste zit net twee weken op de basisschool.” Ze kijkt me aan zoals elke trotse moeder kijkt als het over het opgroeien van de kinderen gaat. “Ze waren wel behoorlijk van slag vanochtend. Ik moest ze heel vroeg naar mijn ex brengen omdat ik vandaag hier zit. Normaal gesproken gaan ze altijd pas op woensdagmiddag na school naar hem toe en dan zijn ze de tweede helft van de week bij hem.”

“Werkt dat goed bij jullie, dat co-ouderschap?” vraag ik. “Ik had het ook wel gewild maar mijn ex besloot aan de andere kant van het land te gaan wonen, dus de tweeling woont nu ergens achter Arnhem.”

“Ja hoor,” zegt ze, “het gaat best heel goed. Behalve de nieuwe vriendin van mijn ex dan. Het is niet dat ik jaloers ben of zo, echt niet, maar ze heeft niks met kinderen, en dat merken die twee van mij.”

Ik kijk haar aan, ze kijkt terug, en vervolgt: “Ik kan het ook wel een beetje begrijpen van haar. Ze heeft zelf geen kinderen dus ze heeft geen flauw idee wat je met kinderen aanmoet. Dat is toch wel anders als je zoals wij die kinderen 9 maanden bij je hebt gehad in je buik.”

Negen maanden. Buik. Ik denk aan hoe vroeg ik op moest staan om mijn baardschaduw onder de foundation te verstoppen. Ik denk aan de M in mijn paspoort, herinner me dat ik ook mijn rijbewijs bij me heb waar geen letter op staat, maar bedenk dan dat er wel een M op de stempas staat.

“Zullen we zelf ook maar even stemmen? Het is nu wel erg rustig.” zegt de man aan de andere kant van haar. De voorzitter knikt instemmend, en allebei pakken ze hun stempas en identiteitsbewijs.

“Ik heb mijn stempas geloof ik thuis laten liggen,” jok ik, “ik stem vanmiddag dan wel.”

Snel controleer ik hun stempassen en de ID kaarten, geef ze een stembiljet, en rits mijn tas dicht om het knalroze hoekje van mijn stempas dat nog zichtbaar is weg te stoppen. Ik schaam me dood dat ik geen open kaart durf te spelen, terwijl zij zo openhartig tegen me is geweest.


Mijn stem is verloren gegaan die dag, omdat ik de betovering niet wilde verbreken. Passabiliteit bleek toch een groter goed te zijn dan ik mezelf tot dan toe had voorgehouden. Vier maanden later kreeg ik een paspoort waar geen M meer in stond, maar een V. Maar wat was het fijn geweest als die volslagen overbodige M niet op die stempas had gestaan…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *